Schaduwkinderen van Curaçao: geboren op het eiland, maar zonder zekerheid dat ze er mogen blijven (1)

WILLEMSTAD – Ze zijn op Curaçao geboren, gaan er naar school, spreken Papiamentu en kennen vaak geen ander thuis. Toch groeien kinderen van ongedocumenteerde ouders op met de onzekerheid of ze op het eiland mogen blijven. Soms hangt hun verblijfsrecht zelfs af van een leraar, pleegouder of andere buitenstaander die bereid is persoonlijk voor hen garant te staan. Fotograaf Berber van Beek volgde voor haar project Schaduwkinderen van Curaçao de verhalen achter deze nauwelijks zichtbare groep jongeren.
Publieke Zaken, beter bekend als Kranshi, schat dat ongeveer drie op de tien baby’s die jaarlijks op Curaçao worden geboren één of twee ongedocumenteerde ouders hebben. Een officieel cijfer bestaat niet. Het project van Van Beek laat zien wat die juridische onzekerheid in het dagelijks leven van kinderen en jongeren kan betekenen.
door | Berber van Beek
“Mi lombrishi ta derá akí. Mijn navelstreng ligt hier begraven.”
Het is een uitdrukking die op Curaçao niet zomaar wordt gebruikt. Ze zegt niet hoe iemand zich voelt, maar waar iemand vandaan komt: letterlijk, begraven in de grond. Voor Noël (fictieve naam) is die uitdrukking de waarheid van haar bestaan.
Ze is geboren en getogen op Curaçao, spreekt Papiamentu, Engels, Spaans en Nederlands. Haïtiaans Creools, de taal van haar ouders, spreekt ze nauwelijks. Haar twee halfbroers kent ze alleen van een scherm. Haar vrienden, haar school, haar hele leven: alles is hier. In haar hart is ze Yu di Kòrsou.
Volgens de wet is ze het niet.
Haar ouders zijn lang geleden uit Haiti gekomen en zijn ongedocumenteerd. Haar verhaal raakt aan ervaringen die ook andere kinderen van ongedocumenteerde ouders hebben. Kinderen zoals Noël, kiezen niet waar ze geboren worden.
Maar de plek waar ze geboren worden bepaalt wel of ze er mogen blijven. Of ze er mogen studeren of werken op een plek die zij thuis noemen, maar die niet officieel hun thuis is.
Noël heeft geluk gehad. Toen haar moeder zwanger was, huurde ze een kamer bij een Curaçaose familie. Die familie zag de nood waarin moeder en dochter dreigden te belanden. De kinderen van de verhuurder besloten garant te staan en pleegouders van Noël te worden. Daardoor kreeg Noël een verblijfsvergunning: een vergunning die ze iedere vier jaar opnieuw moet aanvragen en betalen.
Zonder die hulp was ook zij vermoedelijk zonder papieren opgegroeid. Dan was ze wel naar school gegaan, had ze wellicht een diploma gehaald, en was ze daarna alsnog vastgelopen. Een geluk bij een ongeluk, waar heel veel andere kinderen niet op kunnen rekenen.
Noël blijft, ondanks alles, opvallend positief. Ze werkt hard, wil haar VWO halen en daarna naturaliseren. Ze hoopt op een studie in Nederland, met steun van studiefinanciering. Haar droom is: terugkeren naar Curaçao, een eigen huis, een zorgeloze toekomst voor haarzelf en haar moeder.
Noël zei: “Ik wil dat mijn kinderen niet dezelfde onzekerheid hoeven mee te maken als ik.”
Het is een zin die blijft hangen, juist omdat hij zo gewoon klinkt. Alsof ze het over iets alledaags heeft. Terwijl ze het eigenlijk heeft over een toekomst die, voor haar, allesbehalve vanzelfsprekend is.
Want niets van wat Noël wil bereiken staat vast. Eén beslissing van de overheid. Eén verlopen vergunning. Eén afwijzing is genoeg om alles waar ze zo hard voor werkt in één klap om te laten vallen.
Op haar veertiende kwam Noël, door problemen in de thuissituatie en armoede, in een weeshuis terecht. Inmiddels woont ze in een jongerenhuis. Haar verblijfsvergunning geeft haar hoop: de kans om haar toekomst, stap voor stap, op te bouwen.
Alleen heeft die hoop een houdbaarheidsdatum, want elke vier jaar begint de onzekerheid opnieuw, met dezelfde vraag: mag ik blijven?
Haar verhaal roept een ongemakkelijke vraag op. Wat als niemand garant had willen staan? Dan was Noël, net als zoveel andere op Curaçao geboren kinderen, zonder papieren opgegroeid. En wat als ze op een dag zou worden teruggestuurd naar Haïti: een land dat ze alleen kent van de verhalen van haar ouders, zonder familie die er nog woont en de taal, Haïtiaans Creools, die ze nauwelijks spreekt.
Zou dat rechtvaardig zijn?
De wet gaf Noël haar kans niet, dat deden een paar onbekenden: mensen die, om wat voor reden dan ook, besloten hun naam te verbinden aan het lot van een vreemde. Waarom krijgen de andere kinderen die kans nooit? Dat voelt ongelijkwaardig. Het roept de vraag op: wanneer ben je een Yu di Kòrsou?
Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.





































